Btw-vrijstelling (para)medische handelingen niet enkel voor gereglementeerde beroepen

De wet van 26 december 2015 voerde voor de btw-vrijstelling voor paramedische beroepen de voorwaarde in dat het moet gaan om een erkend paramedisch beroep en dat de vrijstelling enkel van toepassing is op de behandelingen welke opgenomen zijn in de RIZIV-nomenclatuur (artikel 44, § 1, 3° Wbtw). Daarnaast werden de prestaties met een louter esthetisch doel die worden verricht door artsen, tandartsen en kinesisten, in principe van de btw-vrijstelling uitgesloten (artikel 44, § 1, 1°, 2de lid Wbtw).

Bij het Grondwettelijk Hof werden diverse verzoeken tot nietigverklaring van deze regeling (artikelen 110, 111 en 112 van de wet van 26 december 2015) ingediend door:

  • Belgisch Syndicaat van Chiropraxie en Bart Vandendries (rol nr. 6429);
  • de erkende beroepsvereniging  ‘Belgisch Unie van Osteopaten’ en anderen (rol nr. 6462);
  • de bvba ‘Plast.Surg.’ en anderen (rol nr. 6464);
  • de vzw ‘Belgian Society for Private Clinics’ en anderen (rol nr. 6465).

Het Grondwettelijk Hof stelde in deze zaken drie prejudiciële vragen aan het Europese Hof van Justitie. Dat heeft nu beslist dat de btw-vrijstelling voor medische prestaties niet beperkt mag worden tot de door de Belgische wetgeving gereglementeerde beroepen.

Niet enkel voor gereglementeerde beroepen

De lidstaten beschikken over een beoordelingsvrijheid bij de omschrijving van de beroepen waarvan de medische verzorging van btw is vrijgesteld, in het bijzonder bij de bepaling welke kwalificaties voor de uitoefening van deze beroepen vereist zijn. Zij moeten daarbij ervoor zorgen dat die vrijstelling enkel geldt voor medische verzorging die een voldoende kwaliteitsniveau heeft en waken over de fiscale neutraliteit.

Omdat er naast de loutere reglementering van het beroep nog andere  doeltreffende methoden denkbaar zijn voor de controle van die beroepskwalificaties, is de btw-vrijstelling niet voorbehouden aan de beoefenaars van een door de wetgeving van de betrokken lidstaat gereglementeerd beroep. Bovendien is dat reglementaire kader slechts één van de vele elementen waarmee rekening gehouden moet worden om te bepalen of een btw-plichtige de vereiste beroepskwalificaties bezit om die vrijstelling te genieten.

Geen overgangsregeling

De ministerraad had het Grondwettelijk Hof gevraagd om in het geval van een eventuele vernietiging van de wijziging aan het Wbtw van de btw-vrijstelling voor paramedische beroepen, de gevolgen van die vernietigde bepaling toch tijdelijk in stand te houden tot onze wetgeving in overeenstemming is gebracht met de btw-richtlijn. Maar het Europese Hof verbiedt ons Grondwettelijk Hof aan die vraag een positief gevolg te geven.

Geneesmiddelen bij esthetische ingrepen

De plastische chirurgen kaartten dan weer het verschil aan tussen de btw-tarieven voor medicijnen die verstrekt worden enerzijds in het kader van een esthetische ingreep of behandeling (21%) en anderzijds bij een therapeutische ingreep of behandeling (6%).

Hier beschikken de lidstaten over de bevoegdheid om het verlaagd btw-tarief voor te behouden voor bepaalde specifieke farmaceutische producten of medische hulpmiddelen, zolang de neutraliteit wordt gerespecteerd (gelijke behandeling van soortgelijke goederen die met elkaar concurreren). Volgens het Hof wordt die neutraliteit niet geschonden door een verschil in btw-tarief naargelang een therapeutisch of een esthetisch doel omdat er in dit geval sprake is van twee duidelijk gescheiden vormen van concreet gebruik die uit het oogpunt van de gemiddelde consument niet aan dezelfde behoefte beantwoorden.

Bron: De Btw-lijn, HvJ, C-597/17, Belgisch Syndicaat van Chiropraxie e.a., 27 juni 2019

Overbruggingsrecht voor zelfstandigen verdubbelt

Zelfstandigen die in een moeilijke periode zitten, kunnen in bepaalde situaties genieten van een overbruggingsrecht. Dit betekent dat ze gedurende een beperkte periode financiële hulp kunnen krijgen en het recht op geneeskundige verzorging en ziekte-uitkeringen behouden. Met ingang vanaf 1 juli 2019 wordt het overbruggingsrecht aanzienlijk uitgebreid ten voordele van zelfstandigen. De voorwaarden die men dient te voldoen om te mogen genieten van dit recht worden ook versoepelt.

Gedwongen onderbreking

Een van de gevallen waarin de zelfstandigen kunnen genieten van een overbruggingsrecht is het geval waarin zij hun activiteit gedwongen moeten onderbreken door omstandigheden onafhankelijk van hun wil. De voorwaarden waaronder zij in dit geval van het recht kunnen genieten, versoepelen. Het kan voortaan ook bij beschadiging van de professioneel gebruikte gebouwen of uitrustingen, zelfs als die niet is veroorzaakt door een derde. Enige voorwaarde is dat de beschadiging de zaken onbruikbaar moet maken voor de uitgeoefende activiteit. Van een vernieling van gebouwen of uitrusting is geen sprake meer.Ook een beslissing van een derde economische actor of een gebeurtenis met economische impact kan tot een gedwongen onderbreking leiden en voortaan recht geven op een overbruggingsrecht. Het kan bv. gaan om het wegvallen van een grote klant, een sectorale crisis of langdurige wegenwerken.

Langer genieten van overbruggingsrecht

Zelfstandigen die al langer actief zijn en in aanmerking komen voor een overbruggingsrecht, kunnen daar voortaan dubbel zolang van genieten.Basisprincipe is en blijft dat het overbruggingsrecht – bekeken over een volledige beroepsloopbaan – in principe beperkt is tot een financiële uitkering gedurende 12 maanden en het behoud van sociale rechten gedurende 4 kwartalen. De zelfstandigen kunnen meerdere keren van het overbruggingsrecht genieten, zolang deze maximale termijn niet overschreden wordt.Maar voor zelfstandigen die een minimale loopbaan van 15 jaar (60 kwartalen) kunnen voorleggen, is er een voordeliger regeling. Zij kunnen een uitkering krijgen gedurende 24 maanden en sociale rechten behouden gedurende 8 kwartalen. Ze moeten dan wel gedurende 60 kwartalen bijdragen betaald hebben die pensioenrechten opbouwen. Per feit waarvoor het overbruggingsrecht kan toegekend worden (bv. het faillissementsvonnis, de stopzetting van de activiteit…) blijft de maximale duur wel beperkt tot 12 maanden en 4 kwartalen.

Inwerkingtreding

De nieuwe wet van 2 mei 2019 treedt in werking op 1 juli 2019 en is van toepassing op alle feiten die vanaf dan plaatsvinden.

Bron: Wet van 2 mei 2019